Dichter en vaderland


De grote Hafiz, Perzisch dichter, treft op een morgen zijn roos onherkenbaar beschadigd aan in zijn tuin. De bloem was zijn trots. Nu is ze met een zwaard van de steel afgeslagen. Wat doet Hafiz? Hij zwijgt.
De Nederlandse dichter Ida Gerhardt verbindt een wijze les aan haar verhaal over Hafiz. Volgens haar is dit zwijgen – dit verbijten van woorden die opwellen – van groot belang voor de pracht van de poëzie. ‘Mijn zoon, zo ge dichter moogt worden, / bedenk: er is een ontzegging, / er bestaat een onthechting des harten / die het adelsmerk van het vers is.’

In het kader van rouwen, missen en treuren sprak ik laatst terloops met iemand over wachten. Met de komst van de mobiele telefoon, zei zij, is de afwezigheid van mensen veranderd. Je moet nog wel eens op iemand wachten, maar niet langer in angst en beven. Vroeger was iemand er niet, totdat hij er wel was. Het sneeuwde, schrijft Roland Holst, tot het niet meer sneeuwde. Maar in onze tijd is afwezigheid een rekbaar begrip geworden en zijn de grenzen tussen wel en niet vervaagd, de overgangen tussen tijdszones fuzzy. Omdat iedereen op ieder moment - ‘waar ben je?’, ‘ik kom er zo aan’- weet wat de toekomst brengen zal.
Wachten, missen, verlangen: ze liggen ten grondslag aan alle proza en poëzie. Je had een roos, maar ze is verdwenen. Je wacht op een geliefde, maar hij komt niet. Zo zit de Nederlandse dichter Vasalis te wachten in een groot en leeg café; ‘en alle bleke kelners wachtten mee… / Zij spraken weinig, met gedempte stem; / ze wacht op hem, ze wacht op hem, op hem…’ Het is precies die afwezigheid, dat gemis van het ideaal, die maken dat je gaat schrijven en dichten, om te herstellen wat is verdwenen en vorm te geven aan wat er nog niet is.

Sinds een dag of wat hebben we een fonkelnieuwe Dichter des Vaderlands, Ramsey Nasr. De gedachte stemt hoopvol en tevreden. Onze eigen Perzische dichter, Abdolah, toonde zich in zijn commentaar in de Volkskrant ook al tevreden, maar bij hem betrof die tevredenheid vooral Nasrs afkomst. De keuze voor deze dichter is volgens Abdolah niet minder dan een aardverschuiving in de Nederlandse letteren: Nasr heeft een Palestijnse vader en kan de Nederlandse poëzie dus versterken met oosterse, Arabische beeldspraak. ‘Dankzij zijn Palestijnse achtergrond staat hij in contact met de pijn, het verdriet, het geweld, het gemis, en zijn ouderlijk huis.’
Er zijn drie redenen waarom in mijn hoofd allerlei alarmbellen afgingen bij het lezen van dit commentaar over een aardverschuiving. Laat ik ze eens rustig nalopen. Allereerst suggereert Abdolah dat ‘het Israël-Palestina-conflict’ volledig nieuw zou zijn voor de Nederlandse poëzie en de Nederlandse dichters. Dat is een gotspe, als je bedenkt dat de Nederlandse dichter Jacob Israel de Haan in Palestina woonde en daar al in 1924 werd vermoord - omdat hij zich inzette voor een gedeelde staat en toenadering tussen joden en Arabieren. De moord op De Haan wordt wel de eerste politieke moord in Palestina genoemd.
Al net zo raar is de gedachte dat de Nederlandse poëzie het tot nu toe heeft moeten stellen zonder oosterse, Arabische beeldspraak. In de achttiende eeuw zongen immers al Arabische gedichten door Europa, Goethe liet zich er door inspireren, en ook Nederlandse dichters lazen volop poëzie die van ver kwam. Lange tijd wemelde het hier van de geleerde dichters die oosterse en Arabische gedichten vertaalden of kenmerken ervan in hun eigen werk overnamen. Denk aan Leopold, Boutens, Dčr Mouw, Gerhardt. Als Ida Gerhardt schrijft over Hafiz, ‘de grootvorst der dichters’, heeft ze hem zonder twijfel eerst grondig bestudeerd.
Deze twee vreemde vooroordelen over de Nederlandse poëzie kunnen nog worden verklaard vanuit een gebrek aan kennis of interesse bij Abdolah, maar bedenkelijker is de keuze die hij maakt voor de versregels waarmee hij de Nederlandse poëzie typeert. Uit de rijke traditie kiest hij Marsmans gedicht ‘Denkend aan Holland’, uit 1936. Volgens Abdolah een puur Hollands vers over een tijd waarin er nog geen Marokkanen, Turken en Surinamers in ons land woonden. ‘Nederland was klein en vrijwel in zijn geheel voor haar blanke inwoners.’
De dichter Marsman zou dan ook enorm schrikken van Wilders en de harde toon in het hedendaags debat, schrijft Abdolah, of opkijken bij van het woord ‘bismillah’ in een gedicht van Mustafa Stitou. Nu denk ik zelf dat Marsman, die in 1940 op de vlucht omkwam bij een bombardement op een schip, in 1936 ook al wel eens een harde toon in een debat had gehoord. Maar kennelijk heeft Abdolah er belang bij de Nederlandse dichters voor te stellen als naďeve blanken, die in alle rust zwijmelen over een benepen Holland.

Hopelijk lukt het de Nederlandse dichters Nasr en Stitou straks met hun gedichten net zo diep door te dringen in het nationale geheugen als Nijhoff en Vasalis. Het werk van Stitou is al bekroond met de prestigieuze VSB Poëzieprijs, schrijft Abdolah, en hij beschouwt dat met de uitverkiezing van Nasr als een teken dat Nederland volwassen is geworden. Laat ik dat van die VSB Poëzieprijs nou toevallig weten, want ik zat zelf in de jury; en ik wil wel te verklappen dat Stitou die prijs niet kreeg vanwege zijn afkomst, of vanwege een ‘bismillah’ hier en daar, maar omdat zijn poëzie het verdiende. Abdolah bewijst hem een slechte dienst door anders te suggereren.
De Nederlandse poëzie is altijd al volwassen geweest. Vasalis, die in 1947 een bundel opdroeg aan haar vier jaar eerder gestorven zoontje - ‘Ik droomde in den oorlog, dat het oorlog was’ - heeft zich met haar rouw in het nationale geheugen genesteld. ‘Zoveel soorten van verdriet, / ik noem ze niet.’ Politieke moord, oorlog, kindersterfte - nee, om in contact te komen met pijn, verdriet, geweld en gemis heeft de Nederlandse poëzie helaas geen Perzen of Palestijnen nodig.



Column de Volkskrant 7 februari 2009



© 2009-2010 Marjolijn Februari