Europa en empathie (verslag vanaf een dorpspleintje) |
|---|
Midden in het hart van Europa ontmoette ik een dame die haar hond had opgevoed in twee talen. Zei ze ‘sitz’ dan ging de hond zitten. Zei ze ‘viens’ dan kwam de hond naar haar toe. Het moet gezegd, de dame was wel een beetje dronken. Niets ergs, gewoon die vriendelijke vorm van dronkenschap die mensen nog vager maakt dan ze al zijn. Geen kabaal, maar de onvaste en angstvallige zwier die mijn vriend Paul beschrijft als een verheviging van de aangeboren beleefdheid. ‘Plus gentleman que gentleman’, noemt hij dat. Ik was dus midden in Europa. Je hebt natuurlijk gebieden in Europa waar graan groeit voor degelijk brood en je hebt gebieden waar kantoren staan voor degelijk Brussels beleid. Maar hier was ik te midden van de wijnvelden beland. En omdat de Europese binnengrenzen allemaal zijn opgeheven, wist ik na één glas al niet meer waar Duitsland begon en Frankrijk eindigde. Zei je ‘viens’ dan kwam er een Pinot Noir op tafel, zei je ‘sitz’ dan bood iemand je een Weissburgunder aan. De dame slingerde intussen voorzichtig van het ene terras naar het andere. Overal liet ze de mensen zien hoe voortreffelijk de hond reageerde op haar commando’s in twee talen, en daarna wankelde ze weer met veel allure verder. De obers gaven achter haar rug om uitleg aan nieuwsgierige toeristen: ‘Ze is verschrikkelijk cultureel.’
Op de televisie die binnen in het café stond kon ik volgen hoe Ierland stemde over het Europees verdrag, en vervolgens kwamen de deskundigen opdraven die uitleg gaven over juridische gevolgen van het een en ander. Die deskundigen hadden het zonder uitzondering mis, omdat ze dachten dat Europa bestaat uit regelgeving. En omdat ze dachten dat je mensen kunt overtuigen met papieren verklaringen van papieren beslissingen over een papieren werkelijkheid. Als je twee keer iets probeert, en het mislukt twee keer, dan heb je iets fout gedaan, schreef de Stuttgarter Zeitung. En ik wist precies wat de bureaucraten fout hadden gedaan. Ze hadden nooit op dit pleintje gezeten, en ze hadden zich er geen enkele rekenschap van gegeven dat Europa werkelijk bestaat, met alle tragiek en alle complexiteit die de mensheid eigen is. Maar ik had geen zin mijn gelijk voor de zoveelste keer in de krant te zetten. Ik had vakantie en was er geen reden voor nuchtere analyses. Hier in het hart van Europa was de deftige dame niet de enige die een beetje dronken was. De avond tevoren hadden mijn reisgezel en ik de Duitse kok Björn ontmoet, en die had ons met trage hardnekkigheid aan de praat gehouden, omdat je nu eenmaal niet zo vaak Nederlanders tegenkomt in je dorp. ‘Zo veel beleef je niet vaak op één dag’, riep hij uit. Na het afscheid verdween hij tastend in de nacht, waarbij je hem in de verte zijn verbazing en vreugde nog voor zich uit hoorde mompelen. ‘Je beleeft niet vaak zo veel op één dag.’
Nu viel de avond opnieuw, ik zat als een tweederangs Couperus op het plein en overdacht wat ik die dag had gezien. Ik was in een Europees bos geweest, waar ik vliegende juwelen tussen de bomen door had zien zweven: fragiele, blauwe libellen en purperen waterjuffers met in ieder oog wel 30.000 facetten, 30.000 kleine ogen, 30.000 afzonderlijke perspectieven. En in een van die vliegende juwelen had ik zelfs de spuitwaterjuffer uit ‘Alice in Spiegelland’ herkend, met een lichaam van luchtbelletjes en vleugels van schuim. Ik was in een vlindertuin geweest waar vlinders rondvlogen die ogen op hun vleugels hadden. Er waren vlinders die een lichaam hadden van Gewürztraminer en er was een vlinder die helemaal gemaakt was van etherische oliën. Die vlinderde een paar tellen om je hoofd. Als je eenmaal snoof, was je verkoudheid verdwenen; als je tweemaal snoof, was je voorgoed genezen van chagrijn en onverschilligheid. En als je drie keer snoof, kon het zelfs gebeuren dat je de Europese leiders hun aanhoudende geklungel vergaf, waarmee ze de laatste jaren de Europese eenwording danig hebben geschaad. Uitstarend over het pleintje dacht ik weemoedig dat het helemaal niet zo moeilijk zou moeten zijn om Europa te verenigen. Luisteren naar de bevolking is, zoals alles in het leven, een kwestie van identificatie, je verplaatsen, vereenzelvigen, samenvallen; en steun vinden voor een Europees verdrag lukt dan ook niet met juridische dwang van bovenaf, daarvoor zul je al je empathische vermogen moeten aanspreken. Volgens mij is inleven en je vereenzelvigen helemaal niet zo moeilijk, de Europese leiders lijken wel de enigen te zijn die het niet kunnen. In de vlindertuin had ik vlinders gezien die een dood blad imiteerden, met gaten en rotte plekken en al. Die vlinders leken zo enorm op een dood blad, dat je schrok als ze opvlogen; en als ze weer op een tak gingen zitten, leek het precies alsof ze met een bruin steeltje aan de boom vastzaten. De kunst van de nabootsing, stond op een bordje, is een effectieve methode om niet opgegeten te worden. En in het Engels klonk dat nog mooier. ‘The art of impersonation is one of the most effective methods preventing butterflies from being eaten.’
De rest van de vakantie heb ik gekeken hoe alle mensen, dieren en dingen in Europa zich ijverig op de impersonation stortten. Niet om elkaar slaafs na te volgen, maar om zich te verplaatsen in de ander, zich te vereenzelvigen met de ander, om samen te vallen en in elkaar op te gaan en te overleven. Er was een kat die Bismarck heette. Er was een begonia die Non Stop Rosa heette. Er was een vrouw van minstens tweehonderd kilo, gekleed in een roodgeruit mantelpak van vilt, die over straat liep als een wandelende canapé. Je kon er uren naar kijken en dat deed ik ook. En ik zei zachtjes tegen mezelf wat ik altijd zeg als ik een moment lang sentimenteel word over de wereld. Niets meer aan doen, zei ik, gewoon zo laten.
de Volkskrant , 21 juni 2008
© 2008-2010 Marjolijn Februari
| |