Meningsuiting en Vervolging


Pfff, zucht ik. Iedereen schrijft me lange brieven over de vrijheid van meningsuiting. Of ik misschien weet wat we daarvan moeten denken? Pfff, zucht ik nog eens. Ik sta op, wandel door mijn kamer, trek een boek uit de kast, ga weer zitten, kijk uit het raam, zucht een derde maal diep en sla het boek open van de filosoof Kierkegaard om te kijken of hij misschien een lumineus idee heeft over de kwestie. Dit is wat ik lees.
‘Ik heb gewoon geen zin. Ik heb geen zin om uit rijden te gaan, dat is te veel beweging; ik heb geen zin in wandelen, dat is te inspannend; ik heb geen zin om te gaan liggen, want of ik moet dan blijven liggen en daar heb ik geen zin in, of ik moet weer opstaan en daar heb ik ook geen zin in. Summa summarum: ik heb gewoon geen zin.’
Daar schieten we dus ook niets mee op. Je zou op zijn minst van een filosoof mogen verwachten dat hij enige structuur aanbrengt in de maatschappelijke discussie en er wat argumenten bijlevert. Maar Kierkegaard heeft kennelijk geen zin. Misschien lijdt hij wel aan die voorname vorm van verveling die hij ook bij anderen waarneemt, waardoor ze ‘ofwel (de passieve vorm) sterven van verveling, ofwel (de actieve vorm) zich voor hun kop schieten uit nieuwsgierigheid.’ Pfff, zucht ik, en kijk naar buiten, naar de blauwe hemel boven het bevroren grasveld, een mooie dag om je voor je kop te schieten uit nieuwsgierigheid.

En ik loop naar beneden, zet koffie, maak een bruine boterham klaar met Beemster kaas. En alle programma’s en kranten vervelen mij, en alles wat ik hoor en lees verveelt mij, want het praten over meningsvrijheid lijkt steeds meer een techniek te worden waarmee je je een positie links of rechts kunt verschaffen, zonder dat voor dat praten veel noodzaak is, want we snappen het langzamerhand allemaal wel. Dat vrijheid een groot goed is, dat er grenzen aan zitten, dat de rechter die grenzen bewaakt, dat we best eens een rechterlijke uitspraak daarover kunnen gebruiken, omdat jurisprudentie soms helpt.
Er is ook nog eens geen enkele reden om vooraf ongerust te zijn over de rechterlijke uitspraak die gaat komen. Dat Geert Wilders veroordeeld zal worden staat nog lang niet vast, en het woord zal hem door het proces al helemaal niet worden ontnomen. Tegen de rechtszaak op zich kan Wilders onmogelijk bezwaar hebben; hij vraagt zelf regelmatig om strafvervolging van sprekers en schreeuwers. De rapper die hem met de woorden van een raptekst bedreigde is op zijn aanklacht vervolgd, en terecht.
De mensen die op hun beurt een aanklacht tegen Wilders hebben ingediend, zijn net zo min te betichten van linkse of rechtse verblinding. Zo betichtte advocaat Gerard Spong een paar jaar geleden nog linkse politici van haat zaaien tegen Fortuyn en beticht hij nu een rechts politicus van haat zaaien tegen moslims. Het gaat blijkbaar vooral om invulling van het begrip ‘haat zaaien’, niet om politieke campagnes; laat de rechter dan inderdaad maar eens uitspraak doen, daar heb je zo’n rechter voor.

Met Kierkegaard stevig onder de arm geklemd, klauter ik de trap op, ga zitten, sla het boek weer op. Ik kan niet veel zinnigs zeggen, zolang de rechter niet heeft gesproken, dus ik zou eigenlijk een wandeling moeten gaan maken in de vrieskou, en niet hier achter mijn tafel zitten om op bevel van anderen een mening te vormen. ‘Ik ben net een Lüneburger varken’, schrijft Kierkegaard. ‘Mijn denken is een hartstocht. Ik kan uitstekend truffels opwroeten voor anderen, zelf vind ik er niets aan. Ik neem de problemen op mijn neus, maar ik weet er niets anders mee te doen dan ze over mijn hoofd naar achteren te gooien.’
Ik verveel me. De discussie over uitingsvrijheid is saai, lomp, log, ze heeft de beweeglijkheid van een olietanker. Jawel, het is waar, tien jaar geleden werd het maatschappelijk gesprek lamgelegd door wereldvreemdheid en onwil van links; we herinneren ons allemaal nog hoeveel duwen en trekken ervoor nodig waren om de luiken voor de ramen weg te krijgen, zodat er zicht kwam op problemen die werden veroorzaakt door immigratie en islam. Maar nu, tien jaar later, is de situatie honderdtachtig graden gedraaid. Alleen de discussie draaide niet mee.
Zo zitten we nu opgescheept met de fabel van een links complot dat islamkritiek verbiedt, terwijl de islamkritiek intussen met bakken vol over het land wordt uitgestort. Honderdduizenden bloggers gaan dagelijks tekeer tegen de islam, en ieder van die honderdduizenden roept dat hij de enige is, mort dat Nederland in de greep van links politiek denken verkeert, klaagt dat islamkritiek onmogelijk is en zwaar wordt bestraft. Honderdduizenden, miljoenen vrije meningsuitingen per dag, ongestrafte beledigingen, volstrekt onverlet gelaten uitingen van religiekritiek, maar de bloggers houden vol dat hen de mond wordt gesnoerd.

Commentatoren bevestigen deze mensen graag in hun gelijk, dat een gelijk van gisteren is. Er is geen linkse krant in Nederland meer te vinden, toch houdt Afshin Ellian stug vol dat de media alleen linkse meningen honoreren. Of de rechter wel weet wie echt bang zijn om hun mening te uiten, vraagt hij in volle ernst op zijn Elsevier weblog. ‘Miljoenen Nederlanders die de opvattingen van Wilders delen.’ En Joost Zwagerman weet zeker, ook zonder voorbeelden te geven, dat de ‘lelieblanke culturele elite’ uit progressiviteit alle kritiek op homofobie binnen islamitische organisaties verbiedt.
Kom nou toch, we leven niet meer in 2002. Ik blader door mijn boek en vind eindelijk wat ik zocht. ‘De mensen blijven verbazen,’ schrijft Kierkegaard. ‘Ze maken nooit gebruik van de vrijheden die ze hebben maar eisen de vrijheden die ze niet hebben; ze hebben vrijheid van denken, ze eisen vrijheid van meningsuiting.’ Pfff, zucht ik diep, ik wil helemaal mijn mening niet uiten. Maar helaas, het is alweer te laat.


Column de Volkskrant, 31 januari 2009


© 2009-2012 Marjolijn Februari