Moraal en Darwinisme |
|---|
Als Darwin gelijk heeft, en we evolueren, waarom zitten we dan nu met een kredietcrisis? Had het korte termijn denken niet al eeuwenlang uit ons hoofd verdwenen moeten zijn? Eruit gedarwind? Of overleven we juist dankzij dat denken op de korte termijn?
In deze economische recessie vragen veel toeschouwers zich af hoe de wereld er over een paar jaar uit zal zien. Of er dan meer aandacht is voor de lange termijn. Of we verstandiger beslissingen zullen nemen. Dat soort vragen lijkt vooruit te lopen op een razendsnelle verandering die zich de komende tien jaar in het menselijk gedrag gaat voltrekken. Alsof we in rap tempo zullen evolueren tot betere wezens. Maar zo snel verloopt evolutie helaas niet. Als we veranderingen willen, zullen we daar bewust iets aan moeten doen. Plannen maken, beslissingen nemen, veranderingen aanbrengen in beleidsplannen en beloningsstructuren, nadenken, herindelen, kiezen. Wat dat betreft komt alle aandacht voor Darwin precies op het verkeerde moment. Want door Darwin sluipt er al gauw een voorliefde voor descriptie in het denken over menselijk gedrag – een voorliefde om te beschrijven hoe de dingen zijn, niet hoe ze moeten worden.
Het Darwinisme houdt sinds een aantal jaren ook de ethiek in zijn greep. Dat wil zeggen dat er steeds meer boeken worden geschreven over de biologische kant van de menselijke moraal. Door welke gevoelens van woede en verontwaardiging wordt de mens van oudsher gedreven? Berust het morele oordeel op instincten? Dient onze agressie een doel? Allemaal wetenschappelijke varianten op de vraag of de mens van nature goed is of van nature slecht. Een van de recentste boeken in deze heldere stroom van leerzame literatuur is ‘Het morele instinct’ van Jan Verplaetse. Dat geeft overvloedig overzicht over onderzoek dat is gedaan naar emoties en oordeelsvorming. Bij de passage over empathie kom je een boeiend verhaal tegen over het onderste deel van de (rechter) wandbeenkwab; een paar bladzijden verder lees je dat in doodsangst een evolutionaire logica schuilt. Waarna onderzoek met elektromyografie opduikt, en blijkt dat bij angst iets gebeurt met onze corrugator supercilii. Het is allemaal, ondanks dit enigszins onthutsende jargon, uiterst boeiend en bruikbaar, als je wilt weten waarom mensen primair reageren zoals ze reageren. Maar het is niet het hele verhaal. Verplaetse legt dat in zijn laatste hoofdstuk ook geduldig uit. Je kunt uit neurologische en moraalpsychologische beschrijvingen geen voorschriften afleiden: waar het met de wereld heen moet, kun je niet zien aan de rechter wandbeenkwab. Daarom schrijft hij tot slot nog een loflied op de beginselenmoraal; over de moraal die je niet kunt terugvinden in de natuur, maar die je moet opstellen. Met behulp van de rede. De mens is een rationeel wezen; hij kan zijn instincten beheersen en de emoties opzij schuiven die voortkomen uit allerlei oude geweldmoralen en reinigingsmoralen. ‘Door zelfbeheersing, innerlijke overtuiging en voldoende wilskracht overwint hij zijn morele reflexen. Hij kan zich laten leiden door wat de rede hem voorschrijft. Hij kan leven naar de beginselen die hij verdedigt.’
De beginselenmoraal komt er bij Verplaetse dus een stuk beter af dan bij sommige andere auteurs in dit veld, die een rationele moraal voor vreselijk filosofisch en onwetenschappelijk houden, omdat er niets valt te tellen en meten. Toch schuift Verplaetse, ondanks zijn pleidooi voor rationele beginselen, de oude instincten ook niet terzijde, omdat je aan abstracte beginselen alleen niet veel hebt. Mensen lopen niet te hoop vanwege de categorische imperatief, maar omdat ze kwaad zijn, omdat ze verontwaardigd zijn over onrecht, of hopen op geluk. ‘Je kunt de geest en het vlees van de moraal niet van elkaar scheiden’, zegt hij. En dat klinkt zinnig. Wat doen we hiermee in tijden van economische recessie? Vanwege die recessie belanden in mijn brievenbus veel vragen over de aard van de mens. Over deugd, leiderschap, morele instincten. Hoe krijg je ondernemers zo ver dat ze empathischer worden? Zijn we over twintig jaar nog steeds zo kortzichtig? Hoe kom je van hebzucht af? Uit al die vragen klinkt de hoop op een evolutie ten goede. Maar, zoals gezegd, zo snel evolueren we niet. Ik denk dan ook dat we minder moeten kijken naar de aard van de mens dan naar de redelijke beginselen en de rationele systemen die in de loop der eeuwen zijn opgesteld.
Als de huidige kredietcrisis wordt veroorzaakt door een uitholling van verantwoordelijkheid, dan spoor je die verantwoordelijkheid niet op met behulp van elektromyografie in het brein van een proefpersoon. Verantwoordelijkheid is de uitkomst van een keuze en een beslissing; ergens gaandeweg de evolutie hebben mensen rationeel besloten elkaar verantwoordelijk te houden, en in crisistijd moet je allereerst die rationele beslissing laten herleven. Intussen blijft het Darwinisme om zich heen grijpen in de moraal. The Guardian schreef onlangs dat psychologen van de universiteit van Missouri de evolutietheorie hadden toegepast op de literatuur en erachter waren gekomen dat het lezen van Victoriaanse romans de lezers tot betere mensen maakt. En daarmee ook de maatschappij tot een betere maatschappij. Lees George Eliot en de armoede verdwijnt. Lees Jane Austen en de mensheid wordt altruistisch. Zo blijft de moraalwetenschap deze dagen aantonen dat het verleden vast ligt in reflexen - en dat de toekomst het resultaat is van evolutie. Alleen over het ongrijpbare moment van het heden valt niets te zeggen; dat bestaat nog altijd uit zulke wazige filosofische activiteiten als plannen maken, romans schrijven, veranderingen aanbrengen in beloningsstructuren en beleidslijnen, nadenken, kiezen, je verantwoordelijkheid nemen. En veel grijpbaarder zal het morele heden nooit worden.
Column de Volkskrant februari 2009
© 2009-2010 Marjolijn Februari
| |